Raad van Toezicht snoert kandidaten voor het bestuur van UvA en HvA de mond

maandag, 21 maart 2016
-

Vandaag heeft de Raad van Toezicht van de Universiteit van Amsterdam (UvA) en Hogeschool van Amsterdam (HvA) opnieuw laten zien niet te willen luisteren naar studenten en medewerkers van beide instellingen. Afgelopen vrijdag heeft de ASVA studentenunie een brief aan de Raad van Toezicht gestuurd waarin zij een openbare presentatie van de nieuwe voorzitter en rector magnificus eist. Deze brief werd binnen één dag door meer dan 350 studenten en medewerkers ondertekend. Vandaag liet de Raad van Toezicht in een openbare verklaring weten niets aan de procedure te veranderen. Xandra Hoek, voorzitter van de ASVA studentenunie: ‘Dat de Raad van Toezicht liever krampachtig vasthoudt aan procedures dan te luisteren naar studenten en medewerkers, bewijst hoe ver hij afstaat van wat er daadwerkelijk op de UvA en de HvA speelt.’

De afgelopen jaren hebben laten zien dat het belangrijk is dat een bestuurder voldoende draagvlak heeft onder studenten en medewerkers. Zonder dit vertrouwen zal een bestuurder weinig kunnen bereiken. De Centrale Studentenraad van de UvA adviseerde al meerdere malen aan de Raad van Toezicht om de benoemingsprocedure te verbeteren. Het vroegtijdig lekken van de beoogde bestuursleden van de UvA en HvA in nrc.next heeft voor veel onrust onder studenten en docenten gezorgd. ASVA heeft de personen die genoemd zijn in nrc.next uitgenodigd voor een openbare bijeenkomst. De beoogde kandidaten hebben in een reactie aan ASVA laten weten dat ze graag in gesprek zouden willen gaan met de academische en hogeschoolgemeenschap, maar vast te zitten aan de procedures van de Raad van Toezicht. Xandra Hoek: ‘Het organiseren van een openbare presentatie voor de officiële benoeming was het minste wat de RvT had kunnen doen.’

Een Raad van Toezicht heeft een wakende functie en moet te allen tijde handelen in het belang van de UvA en HvA. Hoek: ‘De leden van de Raad van Toezicht hebben deze taak naast zich neergelegd. Hoe kunnen zij nog toezicht houden als zij zó van de instellingen vervreemd zijn?’